arrow_drop_up arrow_drop_down

Kaartspel Wie, Wat, Waar

Wie, Wat, Waar | het leukste spel voor in de dramales

Bedankt voor het bestellen van ons kaartspel Wie, Wat, Waar! Op deze pagina vind je meer informatie over het inzetten van de 3 W's en oefeningen voor groep 1 t/m 8 die je met behulp van ons spel kunt uitvoeren.

Ben je op deze pagina terecht gekomen, maar nog niet in het bezit van het kaartspel? Het is verkrijgbaar via  https://www.dramawinkel.nl/wiewatwaar

Over de 3 W's

In de dramales wordt altijd van 3 W’s gesproken, maar eigenlijk zijn er in ieder verhaal vijf W’s van belang: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Deze bepalingen zijn voor de spelers een ingang om een scène te ontwikkelen en voor publiek om deze te analyseren.


In de leerlijn van onze dramamethode wordt vooral gewerkt aan de eerste 3 W’s: wie, wat en waar.

Wie: Wie zijn de personages in de scène? Welke rollen worden gespeeld? Gaat het om een aap en een slang, twee koningen of de kerstman?

Wat: Wat zijn de personages aan het doen? Wat is hun handeling? Zijn ze een taart aan het bakken, kamperen of tuinieren?

Waar: Waar speelt de scène zich af? Wat is de locatie van de scène? Bij de bushalte, in het sprookjesbos of op de Noordpool?

Door duidelijk wat te definiëren, ontstaat er beweging in de scène. Zeker bij teksttheater is het fijn om de leerlingen over hun handeling na te laten denken, zodat ze niet zonder beweging of actie hun scène presenteren. Dit zorgt voor dynamisch spel in plaats van statisch spel.


In de onder- en middenbouw zullen de 3 W’s vaak bij elkaar passen, zoals twee schilders die op een steiger een huis aan het schilderen zijn. Voor de bovenbouw kan het spannend zijn om de W’s met elkaar te laten conflicteren. Wat gebeurt er als je de kerstman in het sprookjesbos laat kamperen?


De W’s worden vaak als evaluatievraag na een scène gebruikt. Wie speelden ze? Waar speelde het zich af? Wat waren de personages aan het doen? En eventueel: Wanneer speelde het zich af en wat was hun motief? Met als belangrijke vervolgvraag; waaraan zag je dat?


Je kunt de W’s ook als uitgangspunt of aandachtspunt in een spelopdracht gebruiken. Geef de leerlingen bijvoorbeeld een dialoog mee met de opdracht hier een duidelijke wie, wat en waar bij te verzinnen. Stimuleer de leerlingen om deze bepalingen vooral in spel te laten zien en niet alleen te laten horen. Het is heel gemakkelijk om de scène te beginnen met de zin “Nou zus, zullen we dan maar gaan knikkeren in het park?”, zodat direct de W’s duidelijk zijn. Maar het is boeiender om dit in spel te laten zien.


Door vaak met de W’s te werken, begrijpen de leerlingen dat om een verhaal goed over te brengen deze nodig zijn voor zowel de spelers als het publiek. En zullen zij deze steeds zelfstandiger in hun scène toepassen.

Dramaoefeningen per groep

Hieronder vind je per bouw een aantal dramaoefeningen die je kunt uitvoeren met behulp van het kaartspel. En in onze lesmethode staan er nog veel meer!

Houd je niet te strak vast aan de indeling per bouw. Je kunt met leerlingen van de bovenbouw bijvoorbeeld ook prima de oefeningen van de middenbouw doen.

De mogelijkheden zijn eindeloos en gebruik vooral ook je eigen fantasie om je leerlingen met de kaartjes te inspireren.


Onderbouw

Bij de ontwikkeling van het spel hebben we rekening gehouden met begrippen en illustraties die tot de verbeelding spreken voor zowel groep 1 als groep 8. Het is dus niet nodig om de tekst op de kaartjes te kunnen lezen. Bij de onderbouw kan het wel verstandig zijn om van tevoren een aantal kaartjes te selecteren die het best bij je doelgroep passen.


Wie ben ik?
De leerlingen zitten in de kring. Je laat één leerling naar je toe komen en een wie-kaartje trekken. De leerling beeldt in de kring dit personage uit. De rest van de groep raadt welk personage het is. Laat de leerling het kaartje in eerste instantie pantomimisch uitbeelden. Wanneer de groep het niet raadt, kan er geluid en tekst gebruikt worden. Hierna is een volgende leerling aan de beurt om een kaartje te trekken.


Doe je mee?
De leerlingen zitten in de kring. Je laat één leerling naar je toe komen en een wat-kaartje trekken. De leerling beeldt in de kring deze handeling pantomimisch uit. De rest van de groep raadt welke handeling het is. Zodra iemand ziet wat er uitgebeeld wordt, mag deze leerling erbij komen en helpen. Je kunt meerdere leerlingen aan het spel deel laten nemen. Hierna stopt de scène en is een volgende leerling aan de beurt om een kaartje te trekken.


De locatie
De leerlingen zitten in de kring. Je trekt klassikaal een waar-kaartje, dat je laat zien aan de groep. Met elkaar gaan zij bijvoorbeeld de locatie dierentuin spelen. Om de beurt wijs je een leerling aan die in het midden van de kring een handeling of personage uitbeeldt die past bij de locatie. In dit geval iemand die de dieren te eten geeft, een kindje dat de dierentuin bezoekt of een giraf in een hok. Telkens komt er een leerling bij die iets toevoegt aan de locatie. Ga hiermee door totdat het voor jou maximum aantal leerlingen op de speelvloer staat. Herhaal dit met een aantal verschillende locaties.


Middenbouw

Tableau op een plek
De leerlingen zitten aan de kant. Eén leerling komt naar je toe en trekt een waar-kaartje. Hij of zij gaat op de speelvloer staan in een stilstaand beeld (tableau) passend bij deze locatie. Een volgende leerling bekijkt hetzelfde kaartje bij je en gaat ook in het tableau staan. Ga hiermee door totdat de helft van de groep op de vloer staat. De leerlingen aan de kant raden welke locatie te zien is.
Tip: Je kunt er ook voor kiezen om alleen de eerste leerling het kaartje te laten zien. De rest van de groep gaat erbij staan op een manier die past bij de locatie die zij denken dat uitgebeeld wordt. Leuk om later aan spelers en publiek te vragen welke locatie zij in gedachten hadden!


Dialogen
Laat de leerlingen in tweetallen een dialoog voorbereiden. Spelteksten zijn te vinden in onze lesmethode en via www.dramawinkel.nl/boeken
Geef hen vervolgens een kaartje uit één of meerdere categorieën en laat de duo's hun dialoog omzetten in een scène passend bij de wie, wat en/of waar. Houd er rekening mee dat hoe meer categorieën toegevoegd worden, hoe lastiger dit te combineren is in één scene.


Lootjes trekken
De leerlingen worden verdeeld in tweetallen. Ieder duo trekt een kaartje van elke categorie. Ze spelen een situatie met tekst waarbij ze de begrippen op de kaartjes met elkaar combineren. Bij lagere groepen kun je er ook voor kiezen om gebruik te maken van slechts 2 categorieën, bijvoorbeeld alleen wie en wat.
Wanneer dit gelukt is, leggen ze de kaartjes terug en trekken drie nieuwe. Ook hiermee spelen ze een situatie. Dit kunnen zij een aantal keer herhalen.
De duo's kiezen nu hun favoriete situatie en werken deze verder uit tot een scène. Hierna worden de verschillende scènes aan elkaar gepresenteerd.
Tip: Om het presentatiemoment te beperken, kun je twee of drie duo's de scènes aan elkaar laten presenteren.


Bovenbouw

Begin en eind
Verdeel de leerlingen in tweetallen. Ieder tweetal trekt een kaartje uit één of meerdere categorieën. Je geeft de tweetallen klassikaal allemaal dezelfde begin- en eindzin. Bijvoorbeeld "Daar kom je nu mee" en "Misschien heb ik het wel gedaan." In de methode zijn veel kaartjes met begin- en eindzinnen te vinden. De tweetallen maken nu een scène passend bij de wie, wat en/of waar, die begint en eindigt met de door jou genoemde zinnen. Hierna worden de scènes aan elkaar gepresenteerd.
Tip: Om het presentatiemoment te beperken, kun je twee of drie duo's de scènes aan elkaar laten presenteren.


Uitgenodigd
De leerlingen zitten aan de kant. Twee leerlingen, de hoofdrolspelers, staan op de speelvloer. Je trekt een kaartje met wie en waar. Ze zijn bijvoorbeeld twee dokters in een pretpark. De wie en waar laten de spelers duidelijk zien. Hierbij mogen ze tekst gebruiken.
Hun opdracht is om de hele klas op de speelvloer te krijgen in 3 minuten. De leerlingen aan de kant mogen alleen de vloer op komen als ze daartoe uitgenodigd worden. Bijvoorbeeld wanneer de ene dokter tegen de ander zegt: "Kijk nou, zie ik daar drie bontgevlekte spechten in de boom zitten?" Vervolgens stappen drie leerlingen van de kant de speelvloer op en beelden hun rol als specht uit. Ze maken hierbij heel even geluid, maar gaan vervolgens over in stil spel, zodat de focus op de dokters blijft liggen. De spelers gaan hiermee door totdat iedereen op de vloer staat. Andere voorbeelden: "Zouden we nog ergens een ijsje kunnen kopen, denk je?" of "Ik hoop dat we geen patiënt van ons tegenkomen".
Belangrijk is dat de hoofdrolspelers hun rol duidelijk neer blijven zetten en de medespelers op een zo logisch mogelijke manier introduceren. Daarnaast dienen de gehele 3 speelminuten gevuld te worden. Dus niet binnen 10 seconden een bus met 30 Amerikanen voorbij laten rijden.
Herhaal dit een aantal maal met verschillende hoofdrolspelers.
Bespreek de scènes kort na. In welke versie werden de spelers het meest logisch geïntroduceerd? Hoe hebben de hoofdrolspelers dat aangepakt?


Het journaal
Verdeel de leerlingen in groepjes van ongeveer 4 personen. Ieder groepje trekt een wie, wat en waar-kaart. Met deze informatie maken zij een item uit het journaal. Ze bedenken een reden waarom de gebeurtenis nieuwswaardig is. Er is bijvoorbeeld een agressieve aap ontsnapt en op de kermis terecht gekomen. Maar in plaats van dat hij mensen daar aanvalt, bakt hij taarten voor ze.
De groepjes maken een scène die bestaat uit het spelen van de situatie, zoals in een reportage ter plekke, en het introduceren van de gebeurtenis door de nieuwslezer.
Hierna worden de journaals aan elkaar gepresenteerd.

Vaker aan de slag met drama?

Onze digitale dramamethode wordt door 

ruim 3000 leerkrachten 

in Nederland en België gebruikt!