Proeflessen DramaOnline

Wat ontzettend leuk dat je met het vak drama aan de slag wilt! En daar willen we jou graag bij helpen.


DramaOnline is een complete dramamethode voor het basisonderwijs, van groep 1 t/m 8. Een schat aan waardevol lesmateriaal: honderden kant-en-klare dramalessen, korte dramaoefeningen, instructievideo's en spelkaarten. DramaOnline biedt enerzijds structuur en houvast en tegelijkertijd alle vrijheid om jouw lesprogramma vorm te geven zoals jij wilt.


Hieronder vind je voor iedere combinatiegroep twee proeflessen. Muziek en instructievideo's zijn (net als in de methode) toegevoegd.

Wil je meer? Neem dan gerust een kijkje op onze website voor alle info over de lesmethode. Of vraag een jaarabonnement aan.

Veel plezier met de dramalessen!


Deze dramales gaat over het bekende sprookje "De Kikkerkoning", verzameld door de Gebroeders Grimm. In dit verhaal speelt een prinses met haar gouden bal bij de vijver. De bal valt in het water en een kikker wil haar bal uit de vijver halen. Maar alleen als hij bij de prinses in de buurt mag blijven.


Techniek: Toneelspel | Kerndoelen: Inspiratie, reflecteren en samenwerken | Duur: 30 minuten

Deze dramales voor groep 1/2 gaat over het bekende sprookje "De Kikkerkoning", verzameld door de Gebroeders Grimm. In dit verhaal speelt een prinses met haar gouden bal bij de vijver. De bal valt in het water en een kikker wil haar bal uit de vijver halen. Maar alleen als hij bij de prinses in de buurt mag blijven. De prinses stemt toe, maar rent snel weg zodra zij de bal van de kikker teruggekregen heeft. De kikker achtervolgt haar en de prinses wordt hier zo gek van dat ze hem tegen de muur gooit. De kikker heeft een buil op zijn hoofd en omdat de prinses medelijden met hem krijgt, geeft ze hem een kus. De kikker verandert in een prins en de prinses en prins trouwen met elkaar. De leerlingen beleven het sprookje door middel van toneelspel en bewegingsspel.


Bekijk of lees aan het begin van de les met de leerlingen het sprookje. Op Youtube zijn ook diverse video's van "De Kikkerkoning" te vinden.

Je kunt uiteraard ook een sprookjesboek voorlezen. Jacques Vriens heeft in de verzamelbundel "Grootmoeders grote oren" het sprookje bewerkt voor kinderen vanaf 4 jaar.


Een belangrijk thema in het verhaal is "wat je belooft, moet je doen". Bespreek dit thema voor aanvang of na afloop van de les. Moet je inderdaad doen wat je belooft? Waarom deed de prinses dat niet? Hebben ze zelf wel eens iets beloofd?

"De prinses is bij de vijver aan het spelen met haar gouden bal."


De leerlingen staan in de kring. Je noemt een voorwerp dat zij denkbeeldig naar elkaar overgooien. Zorg ervoor dat de leerlingen elkaar eerst aankijken, voordat zij het voorwerp naar de ander gooien. Wissel dit af met verschillende voorwerpen. De manier van gooien en vangen verandert hierbij telkens. Voorbeelden: gouden bal, skippybal, voetbal, stuiterbal, bowlingbal, lievelingsknuffel, dure diamant.


Muziek Les CD 1, nr. 8

"De gouden bal is in de vijver gevallen."


En in sprookjes is dat natuurlijk niet zo maar een vijver. Wij staan nu om een tovervijver. En in deze vijver woont een kikker, die het heerlijk vindt om zich elke dag in het water te wassen.

De leerlingen staan als kikker in een kring, rondom een denkbeeldige tovervijver. Op jouw teken springen zij in de vijver en wassen zich. Tijdens het wassen gebruiken zij hun stem. Na een korte wasbeurt stappen de leerlingen op jouw teken weer uit de vijver.

Het water in de tovervijver verandert telkens, waardoor het stem- en lichaamsgebruik ook verandert.

Voorbeelden: normaal water, ijskoud water, warm water, slijmerig water, water met op de bodem puntige stenen, water met daarin gevaarlijke dieren.

Tip: Zorg ervoor dat de leerlingen goed hun stem gebruiken tijdens het wassen en dat ze geen fysiek contact hebben met elkaar. 


Voor deze oefening is een instructievideo beschikbaar. (zie onderaan de les)

"De kikker heeft de bal teruggevonden en aan de prinses gegeven. Maar de prinses rent snel weg. De kikker achtervolgt haar en doet haar in alles na."


De leerlingen staan in tweetallen verdeeld in de ruimte. Leerling 1 is de prinses en leerling 2 de kikker. De prinses beweegt door de ruimte en de kikker doet dit na. Wissel na een tijdje van rollen.

Tip: Stimuleer de leerlingen om verschillende manieren van bewegen voor te doen.


Muziek Les CD 1, nr. 2

"De prinses wordt zo gek van de kikker, dat ze hem tegen de muur gooit."


De leerlingen staan als groep in de ruimte met hun gezicht naar je toe. Je bent hun tegenstander in een gevecht en voert bepaalde handelingen uit. De leerlingen beelden uit wat je doet, alsof het hen overkomt. Ze vechten niet terug, maar ondergaan alleen jouw aanval. Er mag geluid gemaakt worden. Neem de tijd voor de verschillende handelingen, zodat zij daar hun eigen draai aan kunnen geven.

Tip: Maak de handelingen luchtig en humoristisch. Je kunt de leerlingen bijvoorbeeld ook denkbeeldig kietelen of omver blazen.

"De prins en prinses worden verliefd op elkaar en gaan trouwen. Op de bruiloft zijn zij het liefst zo dicht mogelijk bij elkaar."


De leerlingen zijn verdeeld in dezelfde tweetallen als in de opdracht "De prinses en de kikker". Zij dansen apart van elkaar door de ruimte. Als de muziek stopt, zoeken ze zo snel mogelijk hun partner op en gaan in hurkzit (als een kikker) tegenover elkaar zitten met de handen op elkaars schouders.

Variatie: Het tweetal dat als laatste op de juiste manier zit, is af en komt naar de kant. Dit gaat door tot er één duo overblijft.


Muziek Les CD 1, nr. 10

In deze dramales voor de kleuters staat het weer centraal. De leerlingen ontdekken uit welke onderdelen een weerbericht bestaat en welk weer past bij een bepaald seizoen. Hierbij wordt aandacht besteed aan temperatuur en windrichting. In de kernopdracht maken de leerlingen een fietstocht waarbij ze zich laten leiden door een weerbericht.


Techniek: Improvisatie| Kerndoelen: Opbouw scène, feedback geven en keuzes maken| Duur: 30 minuten

In deze dramales voor kleuters staat het weer centraal. De leerlingen ontdekken uit welke onderdelen een weerbericht bestaat en welk weer past bij een bepaald seizoen. Hierbij wordt aandacht besteed aan temperatuur en windrichting. In de kernopdracht maken de leerlingen een fietstocht waarbij ze zich laten leiden door een weerbericht.

Laat de leerlingen een weerbericht uit de krant zien. Wat betekenen de symbolen, cijfers en de kaart? Klopt het weerbericht met het weer van vandaag? Wat voor weer is het? Heb je de goede kleding aangetrokken die past bij het weer?

Bespreek met de leerlingen wat hoge en lage temperaturen zijn. Hoe warm kan het in de zomer zijn? En hoe koud in de winter?


De leerlingen dansen door de ruimte. Je noemt een temperatuur, die de leerlingen beïnvloed in hun manier van dansen. Bij 30 graden zullen de leerlingen sloom en verhit dansen, bij 0 graden bibberend en verkleumd. Wissel tussen verschillende temperaturen. Je kunt ook temperaturen onder 0 noemen, als de leerlingen dat begrijpen.

Tip: Het is ook mogelijk de seizoenen te noemen als aanduiding voor de temperatuur.


Muziek Les CD 1, nr. 1

De leerlingen staan verdeeld in tweetallen in de ruimte. Leerling 1 is de wind. Leerling 2 loopt door de ruimte en leerling 1 beweegt om hem of haar heen en blaast als de wind. Leerling 2 beweegt hierin mee. Bij bijvoorbeeld tegenwind zal hij of zij moeite hebben om vooruit te komen en bij meewind wordt hij of zij voortgeduwd. Wissel na een tijdje de rollen om.

Tip: Om de oefening te verduidelijken kun je dit met één van de leerlingen voordoen. Bespreek klassikaal wat er met je gebeurt als de wind van alle kanten komt.


Muziek Les CD 1, nr. 18

De leerlingen beelden uit dat ze aan het fietsen zijn. Je leest een weerbericht voor, waarbij hun manier van fietsen beïnvloed wordt. Neem voldoende rust tussen de verschillende aanwijzingen, zodat de leerlingen tijd hebben dit uit te beelden.

Voorbeelden:

  • Vandaag is een zonnige dag
  • Temperaturen kunnen oplopen tot 30 graden
  • Vroeg in de ochtend zal er nog veel mist hangen, waardoor je bijna niets ziet
  • Als de mist is weggetrokken, is er hier en daar kans op een bui
  • De regen zal met bakken uit de lucht vallen
  • Op sommige plekken vallen er zelfs grote hagelstenen
  • Hierdoor is de weg vreselijk glad
  • De wind is soms zacht en soms heel hard
  • Aan het begin van de middag gaat de wind liggen en is er eindelijk ruimte voor de zon
  • Het zal vandaag een echt warme dag worden

De leerlingen kunnen op hun stoel in de kring of lopend door de ruimte fietsen.

Je verdeelt nu de leerlingen in tweetallen. Je leest het weerbericht opnieuw voor, waarbij de tweetallen met elkaar een fietstocht maken. Ze beelden hierbij hetzelfde uit.

Laat de tweetallen vervolgens één onderdeel uit hun fietstocht kiezen, bijvoorbeeld de hagelstenen, en presenteer dit aan elkaar. Kan het publiek zien welk deel van het weerbericht wordt uitgebeeld?

De leerlingen staan of zitten in een kring om je heen. Er wordt gestart vanuit stilte. Je begint met het wrijven in de handen; de leerlingen doen dit na. Vervolgens ga je naar stap 2: rustig met de vingers knippen. Op deze manier maken de leerlingen stap voor stap met elkaar een regenbui.


Stap 1 de wind komt op: in de handen wrijven

Stap 2 kleine regendruppels: rustig met de vingers knippen

Stap 3 regenbui: met de handen op de bovenbenen slaan

Stap 4 storm: in hoog tempo met de voeten op de grond stampen

Na stap 4 bouw je de regenbui in omgekeerde volgorde weer rustig af. Tot stap 8: de wind gaat liggen.


Voor deze oefening is een instructievideo beschikbaar. (zie onderaan de les)

Let op: In de video maken de leerlingen na elkaar het geluid. Bij kleuters is het verstandiger dit gezamenlijk met de groep te doen.

De leerlingen ontdekken wat je lijf over jezelf kan zeggen zonder dat je daarbij gesproken taal nodig hebt. Emoties staan hierin centraal. In de kernopdracht maken de leerlingen een scène waarin twee personages een tegenovergestelde emotie, en dus lichaamstaal, laten zien.


Techniek: Toneelspel | Kerndoelen: Emoties spelen, groepsproces en gevoelens uiten| Duur: 40 minuten

Deze dramales toneelspel voor groep 3/4 gaat over Lichaamstaal. De leerlingen ontdekken wat je lijf over jezelf kan zeggen zonder dat je daarbij gesproken taal nodig hebt. Emoties staan hierin centraal. In de kernopdracht maken de leerlingen een scène waarin twee personages een tegenovergestelde emotie, en dus lichaamstaal, laten zien.


Bespreek voor aanvang van deze les wat lichaamstaal is. Ga als voorbeeld stevig op twee benen staan. Vervolgens zet je beide voeten dichtbij elkaar en buig je een knie. De leerlingen zullen waarschijnlijk ervaren dat je met deze simpele beweging van een zekere naar een onzekere houding veranderd bent.

De leerlingen staan in een kring. Je noemt de naam van een leerling plus een emotie, bijvoorbeeld boos. Deze leerling verandert heel langzaam van een neutrale naar een boze houding. De anderen doen dit gelijktijdig na. Vervolgens noem je een andere leerling plus een emotie. Hij of zij verandert de boze houding langzaam naar de nieuwe emotie. Herhaal dit met een aantal leerlingen en emoties.


Voorbeelden:

  • boos
  • blij
  • verdrietig
  • bang
  • verliefd
  • trots
  • verlegen
  • jaloers

De leerlingen lopen in tweetallen door de ruimte. Je noemt een aantal situaties, waarop de leerlingen hun manier van lopen aanpassen. Bijvoorbeeld: hoe loop je als je heel stil wilt zijn? Wanneer je in je handen klapt, lopen de leerlingen weer normaal verder en wachten een volgende aanwijzing af. Er mag geen geluid gemaakt worden.


Voorbeelden:

  • als je heel stil wilt zijn?
  • als je iets niet durft?
  • als je boos bent op je broertje?
  • als je bijna van een berg afvalt?
  • als je te laat bent voor school?
  • als je je tante ziet die in het buitenland woont?
  • als je gisteren te laat naar bed bent gegaan?
  • als je net je zwemdiploma hebt gehaald?
  • als je stiekem een snoepje wilt pakken?

De leerlingen blijven verdeeld in dezelfde tweetallen en staan in de ruimte. Ze spreken met elkaar af wie leerling 1 en wie leerling 2 is. Je noemt klassikaal voor de leerlingen 1 een emotie, bijvoorbeeld bang. Leerling 1 neemt een houding aan die past bij deze emotie. Leerling 2 neemt vervolgens een tegenovergestelde houding aan. Het is niet nodig dat deze houding als een emotie duidelijk benoemd kan worden. Belangrijker is het dat zij zich laten inspireren door de houding van de ander en hier een tegenstelling in zoeken.

Hierna geef je alle leerlingen 2 een emotie, die zij omzetten in een houding. Nu maakt leerling 1 een tegenovergestelde houding. Herhaal dit een aantal keer met verschillende emoties.

De leerlingen, de verhuizers, blijven in dezelfde tweetallen verdeeld. De twee verhuizers hebben een tegenovergestelde emotie of stemming en daardoor een verschillende manier van bewegen. Bijvoorbeeld moe/actief, vrolijk/boos, serieus/lacherig. Met elkaar maken ze een korte scène waarin een stoel verhuisd wordt. Ze laten hierin duidelijk hun manier van bewegen zien. Ze gebruiken hierbij geen tekst.

Hierna worden de scènes aan elkaar gepresenteerd. Het publiek raadt welke manier van bewegen de verhuizers uitbeelden.

Klap klap (afsluiting)

De leerlingen staan in de kring. Je klapt in een bepaald tempo in je handen en de leerlingen klappen in ditzelfde tempo mee. Vervolgens wissel je telkens van tempo en intensiteit. De leerlingen volgen hierin.

Variatie: In plaats van in je handen klappen, kun je ook met je voeten op de grond stampen.

Beroepen staan in deze les pantomime voor groep 3/4 centraal. De leerlingen beelden diverse beroepen uit en spelen locaties waar veel verschillende beroepen voor komen, zoals het restaurant, vliegveld en ziekenhuis.


Techniek: Pantomime| Kerndoelen: Wie, wat, waar, theatrale vormgeving en keuzes maken| Duur: 45 minuten

Beroepen staan in deze les pantomime voor groep 3/4 centraal. De leerlingen beelden diverse beroepen uit en spelen locaties waar veel verschillende beroepen voor komen.

De leerlingen dansen door de ruimte, als een door jou genoemd beroep. Voorbeelden: schilder, boer, ruimtevaarder, politieagent, fotograaf.

Wanneer de muziek stopt, staan de leerlingen zo snel mogelijk stil. Dit herhaal je een aantal keer met telkens een ander beroep. 

Variatie: De leerlingen die na het stoppen van de muziek nog bewegen, zijn af en komen naar de kant. Dit herhaal je tot er één leerling over is.


Muziek Les CD 1, nr. 18

De leerlingen bewegen door de ruimte. In het midden staat een stoel. Eén van de leerlingen gaat op de stoel staan en noemt een beroep waar het uitzendbureau naar op zoek is. De overige leerlingen beelden dit beroep zonder geluid uit en laten zichzelf daarbij zo goed mogelijk zien. Hierna mag een volgende leerling op de stoel gaan staan en een nieuw beroep noemen.

De leerlingen staan in tweetallen in de ruimte. Eén van hen noemt een beroep waar het uitzendbureau naar op zoek is. De ander beeldt dit direct zonder geluid uit. Vervolgens noemt leerling 2 een beroep en beeldt leerling 1 dit uit. Herhaal deze oefening een aantal keer.


Variatie: Je kunt deze opdracht ingewikkelder maken door leerling 1 mee te laten spelen bij het beroep dat de ander uitbeeldt. In het geval van politieagent, kan de leerling bijvoorbeeld de persoon zijn die een bekeuring krijgt.

De leerlingen zitten aan de kant. Je noemt een locatie waar veel verschillende beroepen mogelijk zijn. Voorbeelden: restaurant, vliegveld, ziekenhuis.

De leerlingen gaan om de beurt de vloer op en beelden een beroep plus handeling uit die past bij de locatie. In het geval van een restaurant bijvoorbeeld kok of ober. De leerlingen blijven deze handelingen uitbeelden tot iedereen op de vloer staat en de locatie dus compleet is. Er mag contact gemaakt worden, maar de handelingen blijven zoals ze gekozen zijn en er wordt geen tekst gebruikt. Voer deze opdracht met verschillende locaties uit.


Muziek Les CD 1, nr.5

Boodschappenlijstje (afsluiting)

De leerlingen zitten in groepjes van 5 personen in een kring. Eén van de leerlingen verlaat de groep. De anderen spreken af welk beroep deze leerling heeft. De leerling komt terug en vraagt iedere leerling wat hij of zij voor zichzelf moet kopen. In het geval van een brandweerman zou dit bijvoorbeeld water, een slang of helm kunnen zijn. De leerling beeldt ieder artikel dat genoemd wordt uit en zet bijvoorbeeld de helm bij zichzelf op. Wanneer alle leerlingen een artikel genoemd hebben, raadt de leerling welk beroep hij of zij heeft. Hierna wordt een nieuw beroep voor een volgende leerling gekozen.


Tip: Je kunt structuur in deze oefening brengen door de leerlingen die aan de beurt zijn, tegelijkertijd naar je toe te laten komen en vervolgens weer op hetzelfde moment terug naar hun groepjes te laten gaan.

In deze dramales voor groep 5/6 maken de leerlingen met elkaar een circus. In dit circus worden de meest fantastische kunsten vertoond, als je de aanplakbiljetten moet geloven tenminste. In feite zijn de artiesten namelijk helemaal niet talentvol, maar door hun manier van presenteren lijkt het heel wat. De leerlingen ontwikkelen een simpele act, die zij vol overgave presenteren. Overtuigen en vol zelfvertrouwen een boodschap brengen staat in deze les centraal.


Techniek: Toneelspel| Kerndoelen: Fysiek spel, jezelf presenteren en keuzes maken| Duur: 50 minuten

In deze dramales voor groep 5/6 maken de leerlingen met elkaar een circus. In dit circus worden de meest fantastische kunsten vertoond, als je de aanplakbiljetten moet geloven tenminste. In feite zijn de artiesten namelijk helemaal niet talentvol, maar door hun manier van presenteren lijkt het heel wat. De leerlingen ontwikkelen een simpele act, die zij vol overgave presenteren. Overtuigen en vol zelfvertrouwen een boodschap brengen staat in deze les centraal.

De leerlingen staan in een kring. Om de beurt zeggen zij een zin, waarin zij reclame maken voor zichzelf. De kern van de opmerking moet waar zijn, maar mag uiteraard overdreven worden. Bijvoorbeeld "Ik ben de enige die weet hoe de motor van een auto werkt" of "Ik kan fantastisch met dieren omgaan". Herhaal dit een aantal rondes, waarin de leerlingen hun eigen zin steeds duidelijker neerzetten, waardoor de boodschap beter overkomt. Door bijvoorbeeld het gebruik van emoties, houdingen of focus.

De leerlingen staan in de kring. Leerling 1 zegt een zin over bijvoorbeeld zijn of haar vakantie, zoals "In de vakantie ben ik een dagje naar de Efteling geweest". Leerling 2 herhaalt de zin, maar met een lichte overdrijving, zoals een week in plaats van een dag. De leerlingen blijven de kring rond overdrijven, totdat de overdrijving zo groot mogelijk is. Bijvoorbeeld "Ik heb in de vakantie de Efteling opgekocht". Vervolgens begint de volgende leerling met een nieuwe zin.

De leerlingen staan in tweetallen tegenover elkaar in de ruimte. Leerling 1 noemt een zin met een bijpassend gebaar, dat makkelijk uit te vergroten is. Bijvoorbeeld "Vorige week heb ik zo'n grote vis gevangen." Leerling 2 herhaalt de zin, maar vergroot hem nu in zowel spreken als bewegen uit. Vervolgens vergroot leerling 1 deze opnieuw. Dit gaat zo over en weer, totdat de zin niet groter kan. Vervolgens bedenkt leerling 2 een nieuwe beginzin.

Tip: Wanneer de leerlingen het lastig vinden om zelf een zin te bedenken, kun je deze telkens klassikaal geven.

Vertel de leerlingen dat ze met elkaar een circus gaan vormen. In hun circus zijn de meest fantastische acts te zien; als je de aanplakbiljetten tenminste moet geloven. In feite zijn de artiesten namelijk helemaal niet talentvol, maar door hun manier van presenteren lijkt het heel wat.

De tweetallen bedenken met elkaar een act. Ze hoeven hiervoor geen ingewikkelde acrobatische toeren uit te halen. De act kan bijvoorbeeld het omhoog houden van een velletje papier met één vinger of het aanraken van je neus met je schouder zijn. De leerlingen repeteren de act, waarbij het vooral belangrijk is dat ze deze vol overgave en zelfvertrouwen presenteren. Het moet lijken alsof er niemand anders op de wereld is, die dit kan. Laat de tweetallen ook een naam voor hun act bedenken.


Laat ieder tweetal een plek zoeken in de ruimte, waarbij iedereen elkaar kan zien. Om de beurt presenteert een tweetal hun act, waarbij de overige leerlingen publiek zijn. Vraag de leerlingen hun acts groot te laten zien, omdat ze een groot publiek moeten bereiken.

Bespreek na afloop de verschillende acts. Welke waren het meest overtuigend? Hoe komt dat? Wat is er nodig om het publiek mee te krijgen en te verrassen?

Gekke loopjes (afsluiting)

De leerlingen lopen in een rij achter elkaar door de ruimte. De voorste persoon doet een gek loopje voor en de anderen doen dit na. Op jouw teken sluit de eerste persoon achter aan en beeldt de volgende leerling een gek loopje uit.

Tip: Een grote klas leerlingen kun je onderverdelen in kleinere groepjes.

Deze dramales voor groep 5/6 gaat over de bekende fabel van Jean de la Fontaine: De raaf en de vos. In deze fabel weet een vos met mooie woorden een stuk kaas van de raaf af te pakken. De leerlingen zetten in de les de fabel om naar een zelfbedachte situatie waarin iemand iets van een ander gedaan wil krijgen. Hierbij wordt aandacht besteed aan het overtuigen van de ander en het inzetten van zo min mogelijk tekst.


Techniek: Toneelspel| Kerndoelen: Inspiratie, jezelf presenteren en samenwerken| Duur: 45 minuten

Deze dramales voor groep 5/6 gaat over de bekende fabel van Jean de la Fontaine: De raaf en de vos. In deze fabel weet een vos met mooie woorden een stuk kaas van de raaf af te pakken. De leerlingen zetten in de les de fabel om naar een zelfbedachte situatie waarin iemand iets van een ander gedaan wil krijgen. Hierbij wordt aandacht besteed aan het overtuigen van de ander en het inzetten van zo min mogelijk tekst.

Laat de leerlingen voor aanvang van de les kennis maken met de fabel "De raaf en de vos". Kennen de leerlingen het verhaal misschien al? Je kunt hierbij goed dit luisterverhaal op ons Pinterestbord gebruiken.

De leerlingen kiezen ieder een bekend liedje. Ze lopen door de ruimte en zingen dit lied hardop. Ze proberen zoveel mogelijk anderen te overtuigen met hun lied mee te zingen. Na een tijdje wordt bekeken welke groep het grootst is.

Tip: Deze oefening is waardevol om na te bespreken. Wat heeft de meeste leerlingen overtuigd? Hoe komt dat? Op welke manieren kun je nog meer overtuigen?

De leerlingen zijn verdeeld over de ruimte in tweetallen. Leerling 1 van ieder tweetal zit op een stoel. Leerling 2 probeert deze leerling op elke mogelijke manier van de stoel af te krijgen, zodat hij of zij daar zelf plaats kan nemen. Bijvoorbeeld door smeken, uitdagen, goede redenen aan te dragen, huilen of slijmen. Er mag geen enkel fysiek contact plaatsvinden. Leerling 1 blijft op de stoel totdat je een klassikaal teken geeft. Hierna wisselen de rollen om. Laat de leerlingen na afloop van deze oefening kort met elkaar nabespreken. Op welke momenten was het het moeilijkst om te blijven zitten? Welke manieren van je zin krijgen werkten het best?

Om de opbouw van de fabel goed te kunnen begrijpen, zetten we in deze oefening het verhaal om in 5 tableaus.

De leerlingen blijven verdeeld in dezelfde tweetallen. Ze staan bij elkaar in de ruimte en spreken af wie vos is en wie raaf. Je noemt nu klassikaal de volgende stappen hardop. De tweetallen beelden tegelijkertijd het verhaal uit in stilstaande beelden. Geef hen voldoende tijd om de tableaus te vormen.

Opbouw van De raaf en de vos

- De raaf heeft een lekker stuk kaas

- De vos wil dat stuk kaas ook hebben

- De vos overtuigt de raaf om een lied te zingen

- De raaf zingt een lied en de kaas valt in de bek van de vos

- De vos eet de kaas en de raaf heeft spijt

Laat de tweetallen nu zelf nog een aantal keer de vijf beelden herhalen, zodat zij het verloop van het verhaal goed kennen.

De leerlingen blijven verdeeld in dezelfde tweetallen. Ieder tweetal spreekt af wie ze zijn, bijvoorbeeld twee zussen, een moeder en zoon of twee schilders. Vervolgens bedenken ze bij deze personages iets wat ze bij de ander gedaan zouden willen krijgen. In het geval van de zussen zit bijvoorbeeld de één op de computer en de ander wil dit ook. Of de zoon moet afwassen van zijn moeder, maar wil liever net als zij een boek lezen op de bank. Of één van de schilders heeft worst op zijn brood en de ander wil dat ook.

Vervolgens zetten de tweetallen dit verhaallijntje om in de 5 stappen uit de vorige oefening.

- Nummer 1 heeft iets

- Nummer 2 wil dat ook

- Nummer 2 overtuigt nummer 1 om iets te doen

- Nummer 1 doet dat

- Nummer 2 gaat er met de buit vandoor en nummer 1 heeft spijt


De scènes in foto's worden vervolgens gepresenteerd. Is het voor het publiek duidelijk om welke situaties het gaat?

Vossendiner (afsluiting)

De leerlingen zitten op een stoel in de kring. Eén leerling staat in het midden; dit is de vos. Je geeft elke leerling de naam van een soort eten (maximaal 4 soorten). Bijvoorbeeld kaas, worst, brood, kip.

Je noemt nu telkens een soort eten. Wanneer je "kaas" zegt, wisselen alle kazen van stoel. De vos probeert zo snel mogelijk op één van de vrije stoelen plaats te nemen. Wanneer dit lukt, is de overgebleven leerling de vos.

Je kunt ook "raaf" (alle leerlingen rennen een rondje om hun stoel) of "diner" (alle leerlingen wisselen van stoel) noemen.

In deze dramales maakt de bovenbouw aan de hand van een aantal genres een trailer voor een film. Ze denken na over de belangrijke ingrediënten in een trailer en de voorwaarden die ervoor zorgen dat het publiek nieuwsgierig wordt naar een film. Improviserend onderzoeken zij verschillende filmgenres en ontwikkelen een filmposter passend bij hun trailer.


Techniek: Improvisatie| Kerndoelen: Wie, wat, waar, feedback geven en samenwerken| Duur: 55 minuten

Een trailer wordt in de bioscoop getoond om publiek nieuwsgierig te maken naar een film. Door de trailer krijg je een idee van het filmgenre, de verhaallijn en de hoogtepunten van de film.

In deze dramales maakt de bovenbouw aan de hand van een aantal genres een trailer voor een film. Ze denken na over de belangrijke ingrediënten in een trailer en de voorwaarden die ervoor zorgen dat het publiek nieuwsgierig wordt naar een film. Improviserend onderzoeken zij verschillende filmgenres en ontwikkelen een filmposter passend bij hun trailer.

Bekijk samen met de leerlingen een aantal filmtrailers. Waar zijn deze trailers voor bedoeld? Wat is belangrijk in een trailer?

De leerlingen lopen door de ruimte. Wanneer je in je handen klapt, noem je een filmgenre. De leerlingen beelden zonder geluid dit genre direct uit. In het geval van een western, kunnen ze bijvoorbeeld als cowboy op een paard rijden.

Wanneer je opnieuw in je handen klapt, lopen de leerlingen verder tot je een volgend filmgenre noemt dat ze uitbeelden. Herhaal dit met een aantal genres.

Voorbeelden: western, thriller, slapstick, drama, comedy, animatie, horror, actie, fantasy

De leerlingen staan verdeeld in tweetallen in de ruimte. Zet de compilatie van filmmuziek aan. De leerlingen beleven samen het verhaal dat de muziek hen vertelt en beelden dit zonder te overleggen uit. Stimuleer de tweetallen om bij elkaar te blijven en elkaar te volgen in hun fantasie. Bij het uitbeelden focussen ze vooral op het betreffende genre. Ze improviseren dus zonder geluid een korte scène uit een western, comedy of actie.


Muziek filmcompilatie

Verdeel de leerlingen in groepjes van ongeveer 5 personen. Fluister ieder groepje een filmgenre in. Passend bij dit genre maken de groepjes een filmtrailer. Dat doen zij volgens deze stappen:

- Bepaal een logische wie, wat, waar. In het geval van een western zou dit een cowboy (wie) kunnen zijn, paard rijdend (wat) over de prairie (waar).

- Bedenk een probleem. Wat kan er gebeuren in de film waardoor het publiek zin krijgt om deze te gaan kijken? Het paard van de cowboy is bijvoorbeeld gestolen.

- Verdeel de rollen. Wie speelt wat? Eén van de leerlingen is de voice-over die het commentaar onder de trailer verzorgt.


De groepjes maken nu de trailer, waarbij ze vooral letten op het zo aantrekkelijk naar voren laten komen van de film. Hoe maak je binnen een halve minuut reclame voor een film, waardoor je weet dat de bioscoopzalen straks vol zitten?

Het hele verhaal van A tot Z laten zien is niet de bedoeling; dat verraadt hoe de film afloopt. Een idee van de film geven en een paar hoogtepunten laten zien, is voldoende.

Hierna presenteren de groepjes hun trailers. Bespreek de trailers na. Naar welke film zou jij willen gaan? Waarom?

Bij een film wordt ook altijd een poster gemaakt. Een beeld waardoor je een goede indruk krijgt van de film. 

De groepjes uit de vorige oefening staan bij elkaar verdeeld in de ruimte. Tel langzaam van 5 tot 1 en klap in je handen. Bij de klap staan alle groepjes in een stilstaand beeld passend bij hun trailer. Herhaal dit een aantal maal, zodat de groepjes verschillende houdingen en posities kunnen proberen.

Hierna kiezen de groepjes hun favoriete stilstaande beeld (poster) uit en laten dit aan de rest van de groep zien.

Deze dramales voor groep 7/8 gaat over buitenaardse wezens. De leerlingen spelen aliëns die landen op aarde en onze manier van leven ontdekken. De leerlingen leren associëren en op een andere manier kijken naar dingen die voor ons heel normaal zijn. In de les wordt gebruik gemaakt van objectenspel en jabbertalk.


Techniek: Improvisatie| Kerndoelen: Rol spelen, theatrale vormgeving en samenwerken| Duur: 55 minuten

Deze dramales voor groep 7/8 gaat over buitenaardse wezens. De leerlingen spelen aliëns die landen op aarde en onze manier van leven ontdekken. De leerlingen leren associëren en op een andere manier kijken naar dingen die voor ons heel normaal zijn. In de les wordt gebruik gemaakt van objectenspel en jabbertalk.

Vraag de leerlingen voor aanvang van de les of zij in buitenaards leven geloven. Hoe zien aliëns er volgens hen uit? Hebben ze weleens een film gezien over aliëns die naar aarde komen? Wat beleefden ze hier op aarde?

De leerlingen staan in de kring als buitenaardse wezens. Hun ruimteschip staat op het punt te vertrekken en de aliëns tellen met elkaar af van 25 (als u 25 leerlingen in de klas heeft) naar 0. Dit doen zij in een niet bestaande taal (jabbertalk). Leerling 1 zegt een jabberwoord, dat 25 zou kunnen betekenen in aliëntaal. De andere leerlingen herhalen dit. De volgende leerling zegt 24 in aliëntaal; ook dit wordt door iedereen herhaald. Ga hiermee door totdat de groep tot 0 afgeteld heeft en het ruimteschip kan vertrekken.

Het ruimteschip is geland op aarde. De leerlingen lopen door de ruimte als aliëns. Ze doen dit met een eigen gek loopje dat zij continu vasthouden, bijvoorbeeld met kleine stapjes, wijdbeens of stijf als een spijker. Wanneer je de naam van één van de leerlingen noemt, loopt iedereen verder in hetzelfde loopje als die leerling. Vervolgens klap je in je handen, waarna de leerlingen weer verdergaan in hun eigen loopje. Dit herhaal je een aantal keer met verschillende loopjes.


Muziek Les CD 1, nr.18

De leerlingen worden verdeeld in tweetallen. In de ruimte liggen een aantal voorwerpen, zoals een emmer, bezem en beker. De aliënkoppels lopen door de ruimte en ontdekken alle aardse voorwerpen die ze tegenkomen, alsof ze deze voor het eerst zien. Bij ieder voorwerp proberen ze samen verschillende manier van gebruiken uit. De leerlingen mogen hierbij geluid maken, maar geen tekst gebruiken.

Tip: Zorg ervoor dat de leerlingen door blijven spelen, ook wanneer zij onderweg zijn naar een volgend voorwerp. Zij kunnen ook doen alsof ze de ruimte, de muren en de vloer voor het eerst zien.


Muziek Les CD 1, nr. 5

De leerlingen worden verdeeld in groepjes van 3 tot 5 personen. Per groepje krijgen ze een voorwerp. Dit mag voor elke groep een ander voorwerp zijn of voor elke groep hetzelfde. De leerlingen bereiden een scène voor, die zij aan elkaar presenteren.

De personages in de scène zijn aliëns. In de scène ontdekken de ruimtewezens voor het eerst het voorwerp, testen het op verschillende manieren en komen tot een oplossing. De leerlingen mogen geen tekst gebruiken, maar wel geluiden maken passend bij hun personage.

Op zoek naar het ruimteschip (afsluiting)

Het is tijd voor de aliëns om weer te vertrekken naar hun eigen planeet. Maar waar is hun ruimteschip?

De leerlingen lopen door de ruimte. Je noemt telkens een ruimtelijke vorm plus een cijfer. Bijvoorbeeld vierkant 8. De leerlingen maken nu zo snel mogelijk met een groepje van 8 kinderen een vierkant, van bovenaf gezien. Daarna lopen ze weer door en maken de volgende vorm met een nieuw aantal kinderen. Noem als laatste vorm een ruimteschip en het volledige aantal leerlingen in de klas, zodat de gehele groep met elkaar de vorm van een ruimteschip maakt. De aliëns kunnen terug naar huis.


Muziek Les CD 1, nr. 8

Klaar om met DramaOnline

aan de slag te gaan?