Wie, wat, waar (artikel)

In de dramales wordt vaak gewerkt met de Wie, Wat en Waar. Maar wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld? En hoe kun je deze 3 W’s inzetten?

In de dramales wordt altijd van 3 W’s gesproken, maar eigenlijk zijn er in ieder verhaal vijf W’s van belang: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Deze bepalingen zijn voor de spelers een ingang om een scène te ontwikkelen en voor publiek om deze te analyseren.

In de leerlijn van onze dramamethode wordt bij de kleuters en middenbouw vooral gewerkt aan de eerste 3 W’s: wie, wat en waar. De kleuters leren onder begeleiding van de leerkracht vormgeven aan de wie, wat en waar, terwijl groep 3/4 deze bewuster zelfstandig kan hanteren.

Wie: Wie zijn de personages in de scène? Welke rollen worden gespeeld? Gaat het om een oma en kleinkind, twee agenten of een piraat en een papegaai?

Waar: Waar speelt de scène zich af? Wat is de locatie van de scène? Op de Zuidpool, in een zwembad of de bibliotheek?

Wat: Wat zijn de personages aan het doen? Wat is hun handeling? Zijn ze aan het touwtje springen, winkelen of zeilen?

Door duidelijk wat te definiëren, ontstaat er beweging in de scène. Zeker bij teksttheater is het fijn om de leerlingen over hun handeling na te laten denken, zodat ze niet zonder beweging of actie hun scène presenteren. Dit zorgt voor dynamisch spel in plaats van statisch spel.

In de onder- en middenbouw zullen de 3 W’s vaak bij elkaar passen, zoals twee schilders die op een steiger een huis aan het schilderen zijn. Voor de bovenbouw kan het spannend zijn om de W’s met elkaar te laten conflicteren. Wat gebeurt er als je een kikker door de woestijn laat fietsen?

Bij de hogere groepen kun je ook de andere twee W’s toevoegen: wanneer en waarom.

Wanneer: Welke tijdsaanduiding is er in de scène? Bijvoorbeeld ‘s avonds, in de Middeleeuwen of in het jaar 2250.

Waarom: Wat is het motief van de personages? Waarom doen ze wat ze doen? Als deze motieven van de personages lijnrecht tegenover elkaar staan, ontstaat hier ook meteen het conflict in een scène. In ons volgende artikel lees je meer over het probleem/conflict in een verhaal.

De W’s worden vaak als evaluatievraag na een scène gebruikt. Wie speelden ze? Waar speelde het zich af? Wat waren de personages aan het doen? En eventueel: Wanneer speelde het zich af en wat was hun motief? Met als belangrijke vervolgvraag; waaraan zag je dat?

Je kunt de W’s ook als uitgangspunt of aandachtspunt in een spelopdracht gebruiken. Geef de leerlingen bijvoorbeeld een dialoog mee met de opdracht hier een duidelijke wie, wat en waar bij te verzinnen. Stimuleer de leerlingen om deze bepalingen vooral in spel te laten zien en niet alleen te laten horen. Het is heel gemakkelijk om de scène te beginnen met de zin “Nou zus, zullen we dan maar gaan knikkeren in het park?”, zodat direct de W’s duidelijk zijn. Maar het is boeiender om dit in spel te laten zien.

Door vaak met de W’s te werken, begrijpen de leerlingen dat om een verhaal goed over te brengen deze nodig zijn voor zowel de spelers als het publiek. En zullen zij deze steeds zelfstandiger in hun scène toepassen.


Lesmateriaal 'Wie, Wat, Waar'

Speciaal voor het thema 'Wie, Wat, Waar' hebben wij een lessenserie met korte, energieke dramalessen ontwikkeld. We hebben ook twee bijpassende kaartspellen en een e-boek met dramaoefeningen. Daarmee maak je van elke dramales een feestje!

>> naar het lesmateriaal

Gratis dramaoefeningen Wie, Wat, Waar

Daarnaast vind je in onze lesmethode een groot aantal dramaoefeningen waarin gewerkt wordt met de W’s. Hieronder staat er een aantal beschreven.

Veel plezier ermee!

Freeze (groep 7/8 – improvisatie)

De leerlingen dansen door de ruimte. Wanneer de muziek stopt, staan zij stil. U noemt nu twee namen van leerlingen. Deze leerlingen beginnen met het spelen van een improvisatiescène. Ze maken hierbij wie, wat en waar zo snel mogelijk helder. Wanneer dit duidelijk is, start de muziek weer en dansen alle leerlingen verder.

Dit herhaalt u een aantal keer.

Variatie: U kunt in plaats twee namen ook drie of vier namen noemen.

Lootjes trekken (groep 5/6/7/8 – improvisatie)

De leerlingen krijgen ieder 3 lege papiertjes. Op het eerste papiertje zetten ze een personage (wie), op het tweede een locatie (waar) en op het derde een voorwerp. De papiertjes worden verzameld in bijvoorbeeld drie hoeden of dozen waarbij de drie categorieën gescheiden blijven.

De leerlingen worden verdeeld in groepjes van 4 à 5 personen. Ieder groepje trekt een lootje van elke categorie. Ze maken een scène waarbij de lootjes met elkaar gecombineerd worden.

Hierna worden de verschillende scènes aan elkaar gepresenteerd.

Ik zag twee beren (groep 1/2/3 – pantomime)

De leerlingen zitten in de kring. U zingt met hen het liedje “Ik zag twee beren”. Wijs twee leerlingen aan die in het midden de beren spelen die broodjes smeren. Herhaal het lied telkens in een versie met een ander dier en handeling. Iedere ronde beeldt een ander tweetal dit dier uit. Laat de leerlingen eventueel ook zelf rijmende handelingen bedenken die passen bij het door u genoemde dier. U kunt uiteraard ook een hoger aantal dieren noemen, wanneer u bijvoorbeeld een grote klas heeft.

“Ik zag twee beren
Broodjes smeren.
Oh, het was een wonder
Het was een wonder, boven wonder
Dat die beren smeren konden
Hi hi hi, ha ha ha
Ik stond er bij en ik keek er naar.”

Voorbeelden:

  • beren – broodjes smeren
  • slangen – de was ophangen
  • mussen – de juffrouw kussen
  • bijen – autorijden
  • koeien – bootje roeien
  • vliegen – een kindje wiegen
  • apen – wortels schrapen
  • poezen – samen douchen
  • vlooien – water gooien
  • slakken – fietsband plakken
  • leeuwen – heel hard schreeuwen
  • apen – nootjes rapen

Fotolocatie (groep 1/2/3 – tableaus)

De leerlingen worden verdeeld in groepjes van 4 à 5 personen. Ieder groepje staat in de ruimte. U fluistert elk groepje een locatie in.  Voorbeelden: strand, restaurant, klaslokaal, speeltuin, kinderboerderij. Wanneer een groepje aan de beurt is, beelden zij met elkaar de locatie in een stilstaande foto uit. De overige groepjes raden op welke locatie de foto gemaakt is. Wanneer een foto niet helder is, kunt u de leerlingen helpen deze duidelijker te maken.

Tip: Oefen eerst klassikaal een aantal foto’s op locatie.

Locatie spelen (groep 1 t/m 8 – pantomime)

De leerlingen zitten aan de kant. U noemt een locatie waar veel verschillende handelingen mogelijk zijn. Voorbeelden: restaurant, strand, supermarkt, kermis, circus.

De leerlingen gaan om de beurt de vloer op en beelden een handeling uit die past bij de locatie. In het geval van een restaurant bijvoorbeeld afwassen of bedienen. De leerlingen blijven deze handelingen uitbeelden tot iedereen op de vloer staat en de locatie dus compleet is. Er mag contact gemaakt worden, maar de handelingen blijven zoals ze gekozen zijn en er wordt geen tekst gebruikt. Voer deze opdracht met verschillende locaties uit.

Voor deze oefening is een instructievideo beschikbaar.